Nederland spaart zich rijk, maar laat te veel rendement liggen
Nederland is van oudsher een spaarland. We houden van zekerheid en kijken het liefst regelmatig hoe onze bank- of beleggingsrekening ervoor staat. Sparen op zich is een verstandige instelling: een financiële buffer voor onverwachte tegenvallers opbouwen is geen overbodige luxe, maar pure noodzaak om onverwachte financiële tegenvallers te kunnen blijven betalen.
Toch zit er een opmerkelijke paradox in ons spaargedrag. Een aanzienlijk deel van de Nederlandse huishoudens heeft namelijk méér geld achter de hand dan noodzakelijk is, maar laat dat vermogen vervolgens jarenlang op een spaarrekening staan. Daarmee denken huishoudens te kiezen voor de veiligheid van sparen, maar tegelijkertijd haalt de inflatie ze in en wordt hun vermogen elk jaar minder waard.
Nieuw onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) maakt duidelijk hoe groot dit probleem is. In 2024 belegde ongeveer één op de drie Nederlandse huishoudens niet, terwijl zij volgens de gehanteerde Nibud-referentiebuffer wél voldoende liquide vermogen hadden om dat te kunnen doen. Dat gaat om circa 2,6 miljoen huishoudens,
Nog opmerkelijker is de groep van ruim 800.000 huishoudens. Zij hebben voldoende financiële ruimte om te beleggen, doen dat niet én bouwen volgens de AFM mogelijk onvoldoende pensioen op om later hun huidige levensstandaard voort te zetten. Voor de helft van deze groep is meer dan €30.000 beschikbaar boven de Nibud-buffer. In totaal gaat het zelfs om ongeveer €50 miljard aan vermogen.Dit is een sterk signaal dat Nederland serieuzer moet nadenken over de vraag waarom zoveel mensen vermogen laten stilstaan.

Waarom beleggen zoveel Nederlanders niet?
Volgens het onderzoek van de AFM is gebrek aan kennis de belangrijkste reden om niet te beleggen. Bij niet-beleggers die voldoende financiële middelen hebben én mogelijk onvoldoende pensioen opbouwen, geeft zelfs meer dan de helft dit als reden aan. Daarnaast vindt ruim vier op de tien in deze groep beleggen te risicovol. Ongeveer één op de drie heeft simpelweg geen interesse in beleggen.

Dat beeld is overigens niet nieuw. De AFM stelde in 2021 ook al vast dat gebrek aan kennis de meest genoemde reden was voor huishoudens om niet te beleggen. Destijds gaf 42% van de niet-beleggers aan onvoldoende kennis te hebben. Dat percentage is de afgelopen vijf jaar dus nog toegenomen naar 45%.
Daar zit wat mij betreft de kern van het probleem. Beleggen wordt door veel mensen nog altijd gezien als iets waarvoor je financieel expert moet zijn, dagelijks de beurs moet volgen en minstens duizenden euro's nodig hebt om te beginnen. Dat beeld klopt niet altijd. Een wereldwijd gespreid indexfonds vraagt bijvoorbeeld geen dagelijkse analyse van bedrijfswinsten, voorspelling van de volgende recessie of poging om de perfecte instapkoers te vinden. Toch lijkt juist de eenvoud voor veel potentiële beleggers moeilijk te zien.
Risico op vermogensverlies is hoger bij sparen
Ik leg dit uit aan de hand van een voorbeeld:
Wie €30.000 op een spaarrekening laat staan, ziet zijn nominale saldo niet dagelijks met 10% dalen. Dat geeft rust, logisch. Maar als de inflatie hoger is dan de spaarrente, daalt de koopkracht van dat geld wel degelijk.
Het risico dat je geld kunt verliezen met beleggen is begrijpelijk, maar wat veel mensen zich niet realiseren is dat door de stijgende inflatie geld met de jaren steeds minder waard wordt. Bij een inflatie van 3,5% en een spaarrente van 1,5%, verliest men jaarlijks 2% koopkracht.
De wereldindex stijgt jaarlijks 8,4% (gemiddeld over de afgelopen 40 jaar), gecorrigeerd voor inflatie van 3,5% levert dat jaarlijks 4,9% vermogensgroei op.

Wie loopt dan meer risico op vermogensverlies, de belegger of de spaarder?
De AFM wijst er zelf op: zolang de inflatie hoger ligt dan de spaarrente, teren huishoudens feitelijk in op hun vermogen.
Het risico van sparen is daarom dat je over twintig of dertig jaar ontdekt dat je met hetzelfde bedrag aanzienlijk minder kan kopen (mits de spaarrente lager blijft dan de inflatie).
Overheid doet niet genoeg
De Nederlandse overheid is niet helemaal afwezig. Via Wijzer in Geldzaken wordt financiële educatie gestimuleerd en worden consumenten naar betrouwbare informatie over geldzaken geleid. Ook is er inmiddels structurele aandacht voor financiële educatie in het onderwijs.
Daarnaast zorgt het Nederlandse pensioenstelsel ervoor dat miljoenen Nederlanders indirect beleggen. Pensioenfondsen beleggen immers de ingelegde premies. In het nieuwe pensioenstelsel wordt bovendien nog duidelijker hoeveel premie wordt ingelegd en welk rendement daarop wordt gemaakt.
Toch blijft er een gat bestaan. Wie buiten het pensioenstelsel zelf vermogen wil opbouwen, krijgt te maken met kennisdrempels, productkeuzes, fiscale regels en een ingewikkelde beleggingswereld.
Ook de overheid erkent dat toegang tot de kapitaalmarkt eenvoudiger kan. In het regeerakkoord staat expliciet dat het kabinet wil stimuleren dat Nederlanders meer van hun spaargeld beleggen en dat er een Europese beleggingsrekening moet komen. Dat is een stap in de goede richting. Maar Nederland zou nog ambitieuzer mogen zijn.
Maak beleggen net zo normaal als sparen
De oplossing ligt wat mij betreft niet in het vertellen dat iedere Nederlander aandelen moet kopen. Dat zou onverantwoord zijn. De oplossing ligt in het verlagen van de drempel voor mensen voor wie beleggen financieel passend is.
De eerste stap is educatie. Leg uit wat een aandeel of ETF is, en maak duidelijk wat het verschil is tussen geld voor de korte termijn en geld voor de lange termijn. Iemand die over drie jaar een huis wil kopen, heeft een andere strategie nodig dan iemand die over dertig jaar met pensioen gaat.
De tweede stap is eenvoud. Wijzer in Geldzaken noemt onder meer betere communicatie over risico en rendement als kansrijke oplossing. Ook wordt expliciet gewezen op hardnekkige misvattingen: dat beleggen hetzelfde is als gokken, dat beleggen moeilijk is, of dat beleggen alleen voor de allerrijksten is.
Mijn advies: Weerleg deze vooroordelen over beleggen en benadruk hoe gemakkelijk het is om een rekening te openen en te beheren.
Sparen is verstandig, alles sparen niet
Misschien moeten we daarom af van de tegenstelling tussen sparen en beleggen. Het zijn geen concurrenten. Een gezonde financiële huishouding begint juist met sparen. De buffer voor de kapotte auto, de wasmachine en een onverwachte rekening hoort niet op de beurs thuis.
Maar het is wél verstandig daarna te bedenken wat je moet doen met het vermogen dat je de komende vijf, tien of twintig jaar niet nodig hebt.
Daar ligt een kans die Nederland nu onvoldoende benut.
De AFM waarschuwt niet voor niets dat ruim 800.000 huishoudens zowel de financiële ruimte als een mogelijke noodzaak hebben om hun vermogen meer te laten renderen.
We hoeven van Nederland geen land van daghandelaren te maken (al denkt menig ‘Finfluencend TikTokker’ daar anders over, maar dat is een andere discussie), Integendeel. Ik zou liever zien dat Nederland een land wordt van rustige langetermijnbeleggers. Mensen die eerst een goede buffer opbouwen, vervolgens breed spreiden in een wereldwijde ETF, zo laag mogelijke kosten betalen en daarna hun vermogen jarenlang voor hun laten werken.
Want de belangrijkste vraag voor de Nederlandse spaarder is wat mij betreft niet meer hoeveel risico beleggen met zich meebrengt.
De vraag is hoeveel risico je bereid bent te nemen door het níét te doen.

.png)





